Tijdens mijn werk in de verslavingszorg kreeg ik de kans om zelf een week opgenomen te worden in een verslavingskliniek. Niet omdat ik verslaafd was, maar om te ervaren hoe het is om patiënt te zijn. Het werd een van de meest kostbare weken uit mijn loopbaan — dankzij Mark. De meest leerzame ook, dankzij Mark. En de meest indringende, dankzij Liam.
Alle lijntjes naar huis werden afgesloten. Ik kwam op een kamer terecht met drie vrouwen die aan het afkicken waren. In het bed tegenover mij lag iemand zwaar af te kicken van speed, en misschien nog iets anders. Vooral ’s nachts hield mijn hulpverleningshart — ook al wist niemand dat ik een therapeut in disguise was — een oogje in het zeil.
De volgende ochtend gebeurde het. Zonder koffie, zonder cafeïne zelfs, zat ik aan de ontbijttafel naast een wat onrustige man met een skinhead, tatoeages in zijn nek en een gebit dat de sporen van een zwaar leven droeg. Ik voelde afschuw. Weerstand. De moed om de week vol te houden zakte me in de schoenen. En eerlijk: ik had mijn oordeel klaar.
Diezelfde ochtend zag ik ook Liam voor het eerst, broodmager en zwalkend door de woonkamer. Nog geen dag later deed hij een zelfmoordpoging. Gelukkig vonden ze hem op tijd.
Een paar dagen later vertelde de man met de tatoeages — laten we hem Mark noemen — zijn levensverhaal in de groep. Hij verloor op jonge leeftijd beide ouders, werd slachtoffer van seksueel misbruik en geweld. Hij groeide op van pleeggezin naar pleeggezin, tot hij uiteindelijk bij een groep terechtkwam die hem op het pad van drugs en criminaliteit bracht. Drugs en criminaliteit waren zijn manier geworden om ergens bij te horen.
Op mijn vijfde dag was er ’s avonds een muziekuurtje. We zaten in een kring; een verpleegkundige speelde gitaar en we zongen zo goed en zo kwaad als het ging mee. Liam zat tegenover me. Toen de verpleegkundige Piano Man inzette, verscheen er een zachte glimlach op zijn gezicht. Ik glimlachte terug. Ik kon mezelf niet bedwingen, stapte op hem af en vroeg hem ten dans. Broos als hij was, leunde hij op mijn armen. We dansten houterig. De groep zong mee en moedigde ons aan. Liam rechtte zijn rug. Hij straalde.
Na afloop stond Mark bij de deur op me te wachten. Hij gaf me een knuffel en zei: ‘Dankjewel dat je dit gedaan hebt.’ Het ging voor hem niet over dansen. Het ging over waardigheid.
Toen ik die zondagochtend in alle vroegte de kliniek mocht verlaten, stond Mark om half zes klaar om mij uit te zwaaien. Als enige. In het vliegtuig terug naar huis dacht ik aan die week. Aan die eerste ochtend, bij Mark aan de ontbijttafel. Aan alles wat ik nog niet wist toen ik naast hem ging zitten.
“Nooit meer oordelen, Anouk. Nooit meer oordelen,” prentte ik mezelf in.
Natuurlijk is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Maar die week leerde mij hoe weinig een eerste indruk vertelt over het verhaal van iemand. Dat is waar therapie voor mij begint: niet bij de vraag wat er mis is met iemand, maar bij de nieuwsgierigheid naar het verhaal achter wat iemand laat zien.
Namen en enkele herkenbare details zijn gewijzigd om de privacy van betrokkenen te beschermen.
We gebruiken cookies om je ervaring op onze site te verbeteren. Door onze site te gebruiken geef je toestemming voor cookies.
Beheer je cookie voorkeuren hieronder:
These cookies are needed for adding comments on this website.
Je kunt meer informatie vinden in ons {cookie_beleid} en {privacy_beleid}.